Sunday, February 22, 2009

Van Kopra tot Community Based Empowerment.

Dulu-dulu djaman opa-opa dan oma-oma had je geen aanbod van winkels / markten zoals tegenwoordig op Ohoijang, Debut en in Tual (hoofdstad van Kepuluan Kei).
In een notendop, nu kan je bijvoorbeeld een ojek (een motorfiets taxi) of een bus nemen van Ohoira (papa's kampong) naar Tetoat en van daaruit met de “bot motor” naar Debut waar een bus wacht om je naar Tual te brengen. Vroeger ging alles te voet en vertrok je al voor dag en dauw.
Vroeger vertrok je vanuit Warbal (mama's kampong) met de kano en 1 peddel en voor de grotere vrachten met de perahu bot. Afhankelijk van de stand van de wind en het seizoen, kan een dergelijk reis wel uren duren. Aangekomen in de ondiepe wateren moet je met een lange bamboe stok je boot voortduwen, zogenaamd tokong. Tegenwoordig is een bot motor de gewoonste zaak van de wereld. Aangekomen in Tual kan je naar gelang je lijst je boodschappenmandje vullen en weer terug naar de kampong of niet.
Het wordt steeds vaker, minder bewerkelijk. Door de verbeterde infrastructuur krijgen kleine kampongs die vroeger geïsoleerd waren van de buitenwereld steeds meer aansluiting met het stadsleven. Natuurlijk met alle gevolgen van dien.
Vaak wordt er gezegd dat we het heden alleen kunnen begrijpen als wij van ons verleden hebben kunnen leren.
Wat was ons verleden? Hoe gingen vroeger de generaties voor ons “winkelen”? Was er een economische ruil traject en hoe kunnen wij ons dat voorstellen in de context van onze kampong? We kunnen alleen een beeld vormen van de verhalen van onze ouders. Om dicht bij huis te blijven, bepaalde gebruiksvoorwerpen die al vanaf eind 19e – begin 20e eeuw in ons familiebezit zijn duiden in de richting van handel - of ruil traject met gemeenschappen buiten de kampong / Kei. Gouden of zilveren armbanden bekend bij de Keieezen zijn rijkelijk versierd met uitheemse motieven. Hoe komen ze op Kei terecht en waar komen ze vandaan.

Een stukje sedjarah met een Nuhu Ewav touch. Het was algemeen bekend dat de VOC zich merendeels concentreerde op de Lease eilanden. Dat Kei / Maluku Tenggara niet op de route van lucratieve “roofbouw” locaties zoals andere eilanden op Maluku zat was duidelijk. De fortenbouw eindigde op Banda Neira waar fort Belgica high and mighty de overzeese kroondomeinen moesten bewaken tegen het de vijanden van het koninkrijk der Nederlanden. In licht van het koloniaal bewind gingen Chinezen, Arabieren en Orang Bugis zich concentreren op de eilanden waar de VOC miniem opereerde. Onder andere Kei bleef bespaard van een intensief koloniale interventie in vergelijking tot Midden-Molukken.
Deze isolatie heeft er toe geleid dat de conservatie van waarden en normen volgens het Keieesche Adatrecht en de Keieesche Taal zoals het gedetailleerd door Mscr. Geurtjens werd beschreven behouden bleef.

Van alle handelsgeesten hadden de chinezen de meest duurzame handelsrelatie met de lokale bevolking. Enkele trouwden zelfs in de kleine gemeenschappen waar zij kleine eenvoudige filiaaltjes openden onder een atap dak (dak gemaakt van palmbladeren). Een voorbeeld is in Ohoiren waar een Chinese man Entjiloba genaamd zich voorgoed heeft gevestigd heeft. Ik weet niet eens of ik zijn naam wel goed heb geschreven maar zijn winkeltje was de buurtsuper van zijn tijd en iedereen kende hem. Papa en Mama kenden hem nog van vroeger. Ik maakte kennis met hem toen ik in 1976 naar de Kampong en bij hem gula-gula voor 100 rupiah kocht (minder dan 1 euro cent). Het was een ware traktatie en hij kocht ook grof in omdat hij wist dat het een gat in de markt was tijdens mijn verblijf.
Het was algemeen bekend dat chinezen en orang arab de eilanden / kampongs aan deden met hun perahu’s (boten) om inkopen te doen zoals: Warbal om hun lola dan teripang (schaaldieren en zeekomkommers) en vogelnestjes in de grotten van Warwut. Mede dankzij de levendige handel van toen kwamen vele kostbare porseleinen vaatwerk van Nederlandse- , Chinese- en Japans makelij in de omloop.

Mama vertelde altijd hoe Opa toentertijd in kopra (zon gedroogde kokosvlees) handelde. Na de sasih kelapa heeft hij zijn kopra verkocht. Aan orang arab verkocht hij zijn kopra en kocht van het geld onder andere voor Mama en Oma kain-kain en zijn harpoen haken en visgerei. Ik heb hem nooit gekend maar de verhalen van Mama waren zo levendig dat ik opa levendig kon voorstellen in zijn Leb-leb toen ik in Warbal was.

Luchtfoto van:  Manir (links onder), Warbal (rechts) en Waha (rechtsboven).  Alleen Warbal is bewoond, op de foto zie je kampung Warbal op de landengte van het eiland. Op de overige twee eilanden bevinden zich de kebon2 van de Warbalnezen. Tijdens de meti (eb) komen de vaargeulen tussen de eilanden droog te liggen en kan men te voet de eilanden bereiken. foto uit de Periplus travel reeks, editie Maluku.

Toen ik in 1976 voor het eerst naar Warbal ging heb ik Mama’s zus, Mamatua Ete ontmoet. Zij had suram-suram kecil (kleine aardewerken potten) van toen zij nog een jong meisje was. Het waren kleine replica’s van grote mensen exemplaren waar water, rijst, andere droog voedsel en oliën in bewaard werd. Ik het kreeg van haar cadeau, toen ze zag dat ik er helemaal weg van was. Deze aardewerken potjes waren gemaakt door orang Banda, zij waren beroemd om hun keramische vaardigheid. De Bandanezen, gevlucht in de 17e eeuw na het bloedbad op Banda Neira onder het bewind van J.P. Zn. Coen, vestigden zich o.a. ook op Kei, vanwaar de naam Banda Eli op Kei Besar is ontstaan.
Tijdens ons verblijf in 1976 meerde een Boeginese schoener voor de kust van Ohoira. De boeginese handelaar bracht met een kleinere boot zijn handelswaar waaronder water- en voorraad potten aan land. Zoals een Oma betaamt, kocht Oma een nieuwe aardewerken water pot voor haar kleindochter. Er waren veel overeenkomsten in het model maar het was te merken dat het ambacht en motieven toch verschillen. De kleine surams waren doorleefd maar meer compacter van structuur en mooier. De motieven waren speelser aangebracht, Het nieuwe exemplaar had een eenvoudig motief dat grof en snel werd aangebracht. Een nummer gaf de maat van de pot aan. Een aanwinst in mijn toen nieuw verworven collectie omdat ik en mijn oma fysiek betrokken waren in het handels traject.
Hoeveel Oma ervoor betaalde is mij een raadsel maar ze drukte waterpot nummer 4 in mijn handen en zei iets in het Behasa Kei tegen de boegineze koopman, nam mijn hand en we liepen samen weg. De boeginezen bleven nooit lang voor de kust van Ohoira, voor zonsondergang waren ze al van de horizon verdwenen.

Ik heb geen wetenschappelijke research gedaan voor mijn verhaal. Mijn onderzoek waren de verhalen die ik in de warme schaduw van mijn oma en bapa-bapa en mama-mama naar mocht luisteren. Mijn verhalen bron waren door de jaren heen gekleurd door mijn ouders en vooral Mama die op onnavolgbare wijze gedetailleerd kon vertellen. 
Zo heeft zij haar bijdrage geleverd aan een traditie van mondelinge overlevering, zoals haar ouders op hun beurt haar hebben bijgebracht. Hun informatie over hoe Warbal en Ohoira was in haar tijd leek net een tijd machine die je meevoert naar hun jeugd. Vooral hoe de economie zich manifesteerde in die dagen, toen infrastructuur in al zijn eenvoud werkte. Nu is het een projectmatig stelsel van regels en structuren.

Handelsgeesten van toen hebben plaats gemaakt voor particuliere project ontwikkelaars van nu. Zij zien de economische mogelijkheden van een gebied of dorp en benutten de kans om hun financiële mogelijkheden uit te breiden. Een gedetailleerde onderhandeling met de lokale gemeenschap behoort niet altijd tot de standaard nego (afgeleid van het woord negosiasi) als het gaat om een groot project. De “op de man af” handel van goederen past niet meer in het huidige tijdsbeeld. Coöperaties krijgen meer vaste voet aan de grond. Vooruitgang heeft altijd zijn voordelen en nadelen. Vooral voor een derde wereld land als Indonesië die worstelt om van zijn "third world" keurslijf te ontdoen.
Het is verwonderlijk om te zien hoe snel Kei zich heeft ontwikkeld in de afgelopen decennia ondanks de kerusuhan. Neem bijvoorbeeld educatie; het aantal dat uitstroomt naar Universitas Pattimura of zelfs buiten Maluku neemt elk jaar steeds meer toe. Faculteiten die populair zijn onder de nieuwe wassing zijn; economie, sociaal-politiek (sospol) en theologie. Het is frappant dat faculteiten zoals  kehutanan dan perikanan (landbouw en visserij) niet tot een voor de handliggende keuze van studenten behoren. Met de mogelijkheden die Kei te bieden heeft qua natuur zou je denken dat deze keuze een winstgevend toekomst perspectief in petto heeft voor de toekomst van onze anak-anak muda Ewab. Het heeft alles te maken met de mogelijkheden in de steeds transformerende maatschappij waar religie, geld en politieke macht tot de gouden kalveren zijn gaan behoren. Het gros van de mahasiswa’s (studenten) zien dan ook af van de mogelijkheden om dicht bij huis te blijven voor minder werk, minder geld en vaak minder glamoureus bestaan te kiezen .
De mogelijkheden op gebied van ontwikkeling, plaatselijke economie is momenteel in handen van derden die soms een andere invulling en visie hebben van wat vooruitgang kan en zou moeten zijn. Een voorbeeld op Kei zijn de varende visfabrieken die alles verwerken op zee. Zij benadelen de kleine man in de sampan. Parel kwekerijen nemen alle aandacht weg van het bewerken van het land! Warwut heeft al zijn natuurlijke resources van Kaju Besi bijna uitgeput zonder voor nieuwe aanplant te zorgen.
Het land dat eeuwenlang ons hebben gevoed en bewaard moet nu ruimen voor misschien dure resorts in de toekomst. Stranden waar wij vroeger onze voeten vrij in het warme zand konden voelen worden geprivatiseerd en als wij even niet opletten kunnen wij betalen wat eens ons cultuurgoed was.

Een westerse toekomst perspectief met betrekking op onze land van herkomst, is gefocuste op hoe breng je cultuur-, natuur behoud en vooruitgang samen waardoor de lokale bevolking en toekomstige generaties maximaal van kan profiteren. De lokale bevolking denkt aan vooruitgang omdat het economische privileges meebrengt. Eerlijk is eerlijk, ze hebben nog gelijk ook! En wij, ook wij denken vanuit puur eigenbelang! En dat is juist de motivatie die wij soms niet durven te bekennen. Onze Molukse culturele erfgoed in Nederland wordt na verloop van tijd ook dunner waardoor er een drang naar een culturele identiteit alleen maar sterker wordt. Tegelijkertijd doen wij ook aan “community based empowerment”. Het versterken van gemeenschappen / kampongs zodat zij op zich zelf kunnen staan en een toekomst kunnen opbouwen gebaseerd op eigen kracht en visie.
Is er sinds de kopra sales van opa iets veranderd? Eigenlijk niet, het is alleen maar veel changgi (geavanceerd) geworden.