De reis ging uitstekend en ik genoot natuurlijk met volle teugen. Amsterdam, Frankfurt, Zurich, Rome, Abu Dhabi, Karachi, Bombay, Bangkok, Majulah Singapura en tenslotte Jakarta. Een hele reis met in Bombay een oponthoud van een paar uurtjes omdat een man een raam ingooide, een grote scherf pakte en zichzelf de hand toelegde middels een steek in zijn buikwand. Op dat moment waren we in de Tax Free gedeelte van de airport. We wisten niet hoe we het hadden en we verborgen ons in de armen van Papa. Gelukkig was Mama zo verstandig om in het vliegtuig te blijven maar wij moesten zonodig Bombay airport verkennen. Verkennen was dus winkeliling (een verbastering van winkelen en keliling - overal -) in de tax free shops.
Om toch Bombay op een positieve wijze in mijn “bibliotheek” te archiveren heb ik maar een sleutelhangertje gekocht met opschrift “Welcome to Bombay” met kleine schelpjes en een zeepaardje in hars gegoten in de vorm van een gitaartje.
Niet echt Indiaas trouwens het sleutelhangertje, maar het voorval was niet bepaald bevorderlijk voor je shopping mood en Papa die had het ondertussen ook wel gezien. Mama had het hele incident tot in de details gehoord van de Garuda crew en was duidelijk ongerust. Dat het duidelijk was kregen we te horen toen wij haar begroeten niet wetende dat zij al op de hoogte was van de details. Met het gevolg dat we in Singapore met zijn allen naar de Tax Free shops gingen shoppen en dat was ook wel weer gezellig.
Op Jakarta Halim Airport stond Mama’s jongste broertje uit Singkawang op ons te wachten. We beseften op dat moment dat het een voorproef was op de vele herenigingen die wij nog voor de boeg hadden. Soms sta je er niet bij stil dat je ouders hun huis en haard maar vooral hun familie hebben moeten achterlaten op weg naar Nederland. Als je dan getuige bent van een emotionele ontmoeting tussen broer en zus dan springen de tranen spontaan in je ogen ook al ken je hem alleen maar uit verhalen, brieven en foto’s. Wij verbleven iets langer dan een week voordat we Ambon aandeden. Op Ambon werd de hereniging groter, twee broers van Mama en haar jongste zusje met hun gezinnen. Daarnaast was er nog een “klein legertje” van nichtjes en neven, bung-bung en usi-usi en andere ooms en tantes. Je denkt dat in Nederland iedereen familie is nou di Maluku lebih banyak lagi. De emoties die loskwamen waren heftig voor ons allemaal. Het was alleen Mama’s familie die ons van Jakarta tot Ambon hadden begroet, Papa’s broertjes en zusjes waren er niet. Het eerste wat Mama’s broertje aan mij vroeg was wat ik graag wou. Ik zei Pepsi-cola en Mama fronstte haar wenkbrauwen, beet op haar lip en schudde subtiel een Nee, omdat ik misschien het onmogelijkst vroeg. Het "kwaad" was gelukkig al geschied want we stopten voor een Chinese winkel en even later kwam hij naar buiten met een glazen literfles Pepsi-cola. Ik heb de fles nog steeds.
Naast het bezoeken van familie en voorbereidend inkopen voor Kei zocht ik ook naar de zus van mijn Mama-ani. Ik vond haar na lang zoeken. Geen enkele twijfel toen ik haar zag, ik werd overvallen door de gelijkenis en dacht dat het mijn Mama-ani zelf was die mij in de deuropening begroette. Zelfs haar zoon leek op mijn kaka-serani.
Na twee weken gingen wij naar Kei en de spanning steeg want eindelijk kreeg jij je eigen Oma te zien. Het kon niet snel genoeg gebeuren.
De reis naar Kei was een ware verzoeking tot aan Banda Neira. We hadden de benedendeks bemanningshut gehuurd. Er is een hemels breed verschil tussen Love Boat en Bayan, de naam van dit vrachtschip die ons naar Tual bracht. Geen Captain Stubing die je vriendelijk uitnodigt om aan de Captains Table plaats te nemen. En zeker geen Doc te bekennen als je een Dok nodig had omdat je de “exotische geuren “ van de hele kinderboerderij, die pal voor je deur opstal stonden, lichamelijk en chemisch moest verwerken in vloeibare substanties vanuit je maag naar je mond. Met andere woorden VOMEREN.
Een vrachtschip als de Bayan kan maar een zekere hoeveelheid vracht meevoeren maar blijkbaar heette deze kapitein “Living on the egde”. Geiten, kippen en zelfs koeien werden vervoerd en geparkeerd voor onze deur. Je kon met moeite de deur naar buiten openen. Laat staan de afstand naar de toiletten te overbruggen.
Hygiëne was ver te zoeken, met als gevolg daarvan ontwikkelde zich spontaan in mij een natuurlijk protectie om niet naar het toilet te gaan. Dit had als gevolg dat ik onze hut niet verliet tot aan Banda Neira. Mijn uitzicht benedendeks was heel interessant. Door de overvracht stond het schip zwaarder in het water dan gewoonlijk. Mijn patrijspoort voorzag mij van een heel afwisselend uitzicht. Een uitzicht van boven- maar merendeels van onder de zeespiegel. Als een Captain Nemo zocht ik in het donkerblauwe naar onderwater bewoners. Alleen als het “bovenwater bewoners” hun afval buiten boord gooiden dan zag je de vissen flitsend erop afgaan.
Gelukkig ontstond er een ware Exodus in onze Ark van Noach toen wij laat in de middag in Banda Neira aanlegden. Er werd schoon schip gemaakt en een overnachting op de boot en een halve dag in Banda was een welkome afleiding voor onze zeebenen. Ook in Banda Neira hadden wij familie. Een nicht van Papa gaf les in de plaatselijke lagere school en de zus van Mama-Boeng en haar gezin woonde hier ook. Samen met Papa’s nichtje bezochten we haar thuis en waren verbaasd over de gelijkenis met familie in Nederland. Niet alleen de namen maar ook hun gezichten waren als vertrouwd. Ze woonden in een oud plantage huis met een binnenplaats. Een van de vele stille getuigen uit de roemruchte tijden van de specerij handel op de Banda eilanden en de Molukken. We besteedde onze tijd goed en bezochten Fort Belgica en Willem III althans zijn borstbeeld. Toen “kapal satu stoom”, keerden we terug naar de haven. “Kapal tiga stoom” en we waren op weg naar Kei. Van een middag te hebben doorgebracht in de volle zon kreeg ik een lichte zonnesteek en moest ik rust houden van de dokter.
’s Nachts toen het was afgekoeld ging ik op het dek. Banda zee die gold als een van de diepste zeeën in de wereld en waarvan op sommige dieptes het niet te meten viel was diep en diep zwart. Op de boeg keek je uit in een oneindig zwart, uitnodigende diepte. Uitnodigend in de macabere zin van het woord. Te lang staren was niet raadzaam. Vele locale zeemansverhalen met twilight zone details illustreren de Banda Zee en op dat moment had je geen enkele moeite om ze allemaal te geloven. Een verhaal was over dat eiland die alleen zichtbaar was voor enkelen en wiens aanwezigheid niet genoemd mag worden. Het schijnt dat op dit eiland boze geesten wonen en als je ze noemt dan kwam je maar moeilijk van dat eiland los. Met mijn grote fantasie en vooral na die blik in het oneindig zwart kon ik die nacht maar moeilijk de slaap vatten.
Kur, Mangur, Tam dan Tayandu waren de eilanden die wij in de donkere nacht passeerden. Ondanks mijn onrustige nacht was ik al heel vroeg wakker en ging met Mama naar het dek voor wat frisse lucht. Mama zei: “ Katong sudah masuk lautan Kei”. Ik vroeg aan haar hoe ze dat wist en ze zei: “bisa lihat dari arus nya” ze zag het aan de golven. Ik keek vol bewondering naar haar op en trots dat ze dat kon zien. Ik zag het verschil niet maar door haar woorden voelde ik het.
Daar stonden ze dan, alle Sedoeboen mannen, de broers van Papa, neven groot en klein. In Nederland zijn wij vrouwen in de meerderheid op Kei waren het de mannen onze vaders, broers en zonen en kleinzonen. We hoefden alleen maar van boord te gaan. Papa Tengah, Papa’s broer zei dat Oma op ons wachtte.
In het huis van onze neef in Tual wachtte er een legertje mensen op ons, een oude vrouw trad naar voren en zei: Ini sudah............. Ini sudah nih.............. en benadrukte dat met haar twee gerimpelde handjes zachtjes kloppend op haar hart.
We huilden en omarmden haar, zij huilde nog meer en wij nog erger. De andere vrouwen aangestoken door onze emoties hadden het niet meer en lieten de tranen de vrije loop. Totdat Papa kwam en zei dat dit niet Oma was maar Papa’s oudste zus. Je had er bij moeten zijn het verhaal is al grappig genoeg maar in het echt was het hilarisch voor woorden. Dit kon alleen maar een voorproefje zijn van wat ons te wachten staat als we onze echte oma ontmoetten. Een tipje van de sluier zagen we al omdat Mama-Tua veel op Oma lijkt. Oma zal thuis op ons wachten. Thuis is waar Papa is geboren.
In 1976 was alles nog van ” voor de oorlog”. Van Tual gingen wij in een lokale krakkemikkige bus naar Ewu. Ewu is de Kampong waar Nene dari Yumai is getrouwd. Nu nog onderhouden wij nauwe banden met haar anak-anak cucu ( zie deel IV van “Jakob’s Ladder naar de Bron der Liefde). In Ewu is ook een waterbron aangetroffen die heel Tual van water zou kunnen voorzien. Er waren twee gigantische water reservoirs in Ewu aangelegd om het water op te slaan. Na een lange reis was een waterbak en welkome verfrissing dus nam ik een duik in het koele water. Ik was de eerste die als een theezakje onder werd gedompeld.
Technisch was alles klaar en mechanisch in orde maar het water stroomde tot nu toe niet door de pijpen. Het verhaal ging, dat volgens een lokaal gebruik een hoofd van een maagd als “betaling” werd geëist in ruil voor het gebruik van water. Er werd zelfs een koe geslacht en zijn hoofd werd op de schroef wiel van de pijpleiding geplaatst maar het mocht niet baten. Wij werden gewaarschuwd dat wij niet zomaar alleen moesten lopen want “ada orang potong kepala” in de omgeving gesignaleerd die stranden afstroopt op zoek naar een slachtoffer.
We staken via de uitmonding van Hot Sorbai over naar Kampong Wab met een lep-lep. We moesten nog een dicht begroeide heuvel beklimmen waar wij boven aan de top Kampong Wab zagen. Al dalende naar het dorp werden we begroet door Opa Theo. Opa Theo leek als twee druppels water op zijn broer in Nederland en weer waren wij verbijsterd door de gelijkenis. Zijn rimpels op zijn voorhoofd, zijn oren en zijn stem met die aparte hoge klank aan het begin of eind van zijn woorden. We dachten dat hij het zelf was.
Nauwelijks bijgekomen van Opa Theo zagen wij een eindje verderop een Nene in het midden van de Kampong met de woorden: Anak cucu Ini sudah.....Ini sudah nih..... haar armen naar ons openend. We keken Papa aan en hij zei: “dit is Omm.......” maar we hoorden niet meer wat Papa zei en stormden op haar af. Ik was nog een beetje argwanend maar aangestoken door de emotie van mijn beide zussen gaf ik toe aan het indrukwekkende samenspel van begroeting en emotie. Dit keer was het Mama die zei dat het de oma was van Bung Gerson, Bung Johan en Bung Ferry. Toen zagen wij ook de treffende gelijkenis met Om. Verbijsterd en tegelijkertijd blij dat wij hun oma zagen liepen wij gearmd door Wab naar het strand waar een lep-lep ons over zee naar Ohoira zouden brengen.
We waren totaal overrompeld. Het was voor het eerst dat wij een witte strand, blauwe zee en groene palmen in die combinatie zagen. We lieten onze tassen vallen en renden de zee in als gekken. Want zo zagen de bewoners van Wab ons natuurlijk.
Spierwit, blauw in alle nuances denkbaar en levend groen, de mooiste kleurencombinatie die de natuur je cadeau geeft. Als je dat voor het eerst ziet dan zijn de verhalen van Mama en Papa over Ohoira en Warbal een belofte in de zeer nabije toekomst. Na te zijn afgekoeld door de lauwwarme zee namen wij afscheid van Opa Theo en Oma Gerson en gingen wij op weg naar Ohoira.
We zouden tegen schemer aankomen op Wat Silo vlak voordat je Ohoira binnenkomt. Er waren fakkels aangebracht om onze aanlegpunt te markeren. Toen we voet aan land hadden gezet werd er een teken aangebracht op onze voorhoofd uit respect voor onze voorouders, kampong en omdat wij voor het eerst een bezoek brachten aan onze Tanah Air. Daarom werd er met Tanah en Air ons voorhoofd gesierd.
We moesten onze handen in de lucht houden bij wijze van overgave aan de Negeri Ohoira. Menjerah, het vrijwillig overgeven na een strijd die wij hebben afgelegd om Ohoira te bereiken. Daar in de haag van mensen aan weerszijden van de weg dat leidt naar de Pusat Negeri voelde je een warme thuiskomst die niet te beschrijven was en is. Elke poging is maar een fractie van wat er door je heen gaat. Aan het eind van die haag mensen staat degene op je te wachten die geen uitleg hoeft van wie zij is.
Zij die in 1973, toen Papa voor het eerst ging, ons hoorde zingen op een cassette bandje en zich afvroeg waar wij waren. Zij was het die boos werd op Papa en vroeg waarom hij ons verborg en waarom wij er niet waren. Het zou drie jaren duren voordat wij haar zouden zien.
Ini sudah...........................






















