Tuesday, August 22, 2006

Ini sudah............

Er zijn vele redenen die je doet besluiten om naar de Kampong te gaan. Een van die redenen was voor ons dat Oma, moeder van Papa, nog leefde en haar anak cucu dari Belanda wou zien. Dit en andere redenen waren voor ons genoeg om in 1976 naar de Kampong te gaan. Mijn allereerste grote reis en meteen bijna 24-uur doorbrengen in een vliegtuig. Garuda Indonesian Airways droeg toen nog de Garuda logo in de kleur oranje en de pramugari’s waren in het oranje gehuld met batik dessins. Die combinatie zou tegenwoordig heel erg RETRO zijn.

De reis ging uitstekend en ik genoot natuurlijk met volle teugen. Amsterdam, Frankfurt, Zurich, Rome, Abu Dhabi, Karachi, Bombay, Bangkok, Majulah Singapura en tenslotte Jakarta. Een hele reis met in Bombay een oponthoud van een paar uurtjes omdat een man een raam ingooide, een grote scherf pakte en zichzelf de hand toelegde middels een steek in zijn buikwand. Op dat moment waren we in de Tax Free gedeelte van de airport. We wisten niet hoe we het hadden en we verborgen ons in de armen van Papa. Gelukkig was Mama zo verstandig om in het vliegtuig te blijven maar wij moesten zonodig Bombay airport verkennen. Verkennen was dus winkeliling (een verbastering van winkelen en keliling - overal -) in de tax free shops.
Om toch Bombay op een positieve wijze in mijn “bibliotheek” te archiveren heb ik maar een sleutelhangertje gekocht met opschrift “Welcome to Bombay” met kleine schelpjes en een zeepaardje in hars gegoten in de vorm van een gitaartje.
Niet echt Indiaas trouwens het sleutelhangertje, maar het voorval was niet bepaald bevorderlijk voor je shopping mood en Papa die had het ondertussen ook wel gezien. Mama had het hele incident tot in de details gehoord van de Garuda crew en was duidelijk ongerust. Dat het duidelijk was kregen we te horen toen wij haar begroeten niet wetende dat zij al op de hoogte was van de details. Met het gevolg dat we in Singapore met zijn allen naar de Tax Free shops gingen shoppen en dat was ook wel weer gezellig.

Op Jakarta Halim Airport stond Mama’s jongste broertje uit Singkawang op ons te wachten. We beseften op dat moment dat het een voorproef was op de vele herenigingen die wij nog voor de boeg hadden. Soms sta je er niet bij stil dat je ouders hun huis en haard maar vooral hun familie hebben moeten achterlaten op weg naar Nederland. Als je dan getuige bent van een emotionele ontmoeting tussen broer en zus dan springen de tranen spontaan in je ogen ook al ken je hem alleen maar uit verhalen, brieven en foto’s. Wij verbleven iets langer dan een week voordat we Ambon aandeden. Op Ambon werd de hereniging groter, twee broers van Mama en haar jongste zusje met hun gezinnen. Daarnaast was er nog een “klein legertje” van nichtjes en neven, bung-bung en usi-usi en andere ooms en tantes. Je denkt dat in Nederland iedereen familie is nou di Maluku lebih banyak lagi. De emoties die loskwamen waren heftig voor ons allemaal. Het was alleen Mama’s familie die ons van Jakarta tot Ambon hadden begroet, Papa’s broertjes en zusjes waren er niet. Het eerste wat Mama’s broertje aan mij vroeg was wat ik graag wou. Ik zei Pepsi-cola en Mama fronstte haar wenkbrauwen, beet op haar lip en schudde subtiel een Nee, omdat ik misschien het onmogelijkst vroeg. Het "kwaad" was gelukkig al geschied want we stopten voor een Chinese winkel en even later kwam hij naar buiten met een glazen literfles Pepsi-cola. Ik heb de fles nog steeds.

Naast het bezoeken van familie en voorbereidend inkopen voor Kei zocht ik ook naar de zus van mijn Mama-ani. Ik vond haar na lang zoeken. Geen enkele twijfel toen ik haar zag, ik werd overvallen door de gelijkenis en dacht dat het mijn Mama-ani zelf was die mij in de deuropening begroette. Zelfs haar zoon leek op mijn kaka-serani.
Na twee weken gingen wij naar Kei en de spanning steeg want eindelijk kreeg jij je eigen Oma te zien. Het kon niet snel genoeg gebeuren.

De reis naar Kei was een ware verzoeking tot aan Banda Neira. We hadden de benedendeks bemanningshut gehuurd. Er is een hemels breed verschil tussen Love Boat en Bayan, de naam van dit vrachtschip die ons naar Tual bracht. Geen Captain Stubing die je vriendelijk uitnodigt om aan de Captains Table plaats te nemen. En zeker geen Doc te bekennen als je een Dok nodig had omdat je de “exotische geuren “ van de hele kinderboerderij, die pal voor je deur opstal stonden, lichamelijk en chemisch moest verwerken in vloeibare substanties vanuit je maag naar je mond. Met andere woorden VOMEREN.

Een vrachtschip als de Bayan kan maar een zekere hoeveelheid vracht meevoeren maar blijkbaar heette deze kapitein “Living on the egde”. Geiten, kippen en zelfs koeien werden vervoerd en geparkeerd voor onze deur. Je kon met moeite de deur naar buiten openen. Laat staan de afstand naar de toiletten te overbruggen.
Hygiëne was ver te zoeken, met als gevolg daarvan ontwikkelde zich spontaan in mij een natuurlijk protectie om niet naar het toilet te gaan. Dit had als gevolg dat ik onze hut niet verliet tot aan Banda Neira. Mijn uitzicht benedendeks was heel interessant. Door de overvracht stond het schip zwaarder in het water dan gewoonlijk. Mijn patrijspoort voorzag mij van een heel afwisselend uitzicht. Een uitzicht van boven- maar merendeels van onder de zeespiegel. Als een Captain Nemo zocht ik in het donkerblauwe naar onderwater bewoners. Alleen als het “bovenwater bewoners” hun afval buiten boord gooiden dan zag je de vissen flitsend erop afgaan.

Gelukkig ontstond er een ware Exodus in onze Ark van Noach toen wij laat in de middag in Banda Neira aanlegden. Er werd schoon schip gemaakt en een overnachting op de boot en een halve dag in Banda was een welkome afleiding voor onze zeebenen. Ook in Banda Neira hadden wij familie. Een nicht van Papa gaf les in de plaatselijke lagere school en de zus van Mama-Boeng en haar gezin woonde hier ook. Samen met Papa’s nichtje bezochten we haar thuis en waren verbaasd over de gelijkenis met familie in Nederland. Niet alleen de namen maar ook hun gezichten waren als vertrouwd. Ze woonden in een oud plantage huis met een binnenplaats. Een van de vele stille getuigen uit de roemruchte tijden van de specerij handel op de Banda eilanden en de Molukken. We besteedde onze tijd goed en bezochten Fort Belgica en Willem III althans zijn borstbeeld. Toen “kapal satu stoom”, keerden we terug naar de haven. “Kapal tiga stoom” en we waren op weg naar Kei. Van een middag te hebben doorgebracht in de volle zon kreeg ik een lichte zonnesteek en moest ik rust houden van de dokter.

’s Nachts toen het was afgekoeld ging ik op het dek. Banda zee die gold als een van de diepste zeeën in de wereld en waarvan op sommige dieptes het niet te meten viel was diep en diep zwart. Op de boeg keek je uit in een oneindig zwart, uitnodigende diepte. Uitnodigend in de macabere zin van het woord. Te lang staren was niet raadzaam. Vele locale zeemansverhalen met twilight zone details illustreren de Banda Zee en op dat moment had je geen enkele moeite om ze allemaal te geloven. Een verhaal was over dat eiland die alleen zichtbaar was voor enkelen en wiens aanwezigheid niet genoemd mag worden. Het schijnt dat op dit eiland boze geesten wonen en als je ze noemt dan kwam je maar moeilijk van dat eiland los. Met mijn grote fantasie en vooral na die blik in het oneindig zwart kon ik die nacht maar moeilijk de slaap vatten.

Kur, Mangur, Tam dan Tayandu waren de eilanden die wij in de donkere nacht passeerden. Ondanks mijn onrustige nacht was ik al heel vroeg wakker en ging met Mama naar het dek voor wat frisse lucht. Mama zei: “ Katong sudah masuk lautan Kei”. Ik vroeg aan haar hoe ze dat wist en ze zei: “bisa lihat dari arus nya” ze zag het aan de golven. Ik keek vol bewondering naar haar op en trots dat ze dat kon zien. Ik zag het verschil niet maar door haar woorden voelde ik het.

Daar stonden ze dan, alle Sedoeboen mannen, de broers van Papa, neven groot en klein. In Nederland zijn wij vrouwen in de meerderheid op Kei waren het de mannen onze vaders, broers en zonen en kleinzonen. We hoefden alleen maar van boord te gaan. Papa Tengah, Papa’s broer zei dat Oma op ons wachtte.

In het huis van onze neef in Tual wachtte er een legertje mensen op ons, een oude vrouw trad naar voren en zei: Ini sudah............. Ini sudah nih.............. en benadrukte dat met haar twee gerimpelde handjes zachtjes kloppend op haar hart.
We huilden en omarmden haar, zij huilde nog meer en wij nog erger. De andere vrouwen aangestoken door onze emoties hadden het niet meer en lieten de tranen de vrije loop. Totdat Papa kwam en zei dat dit niet Oma was maar Papa’s oudste zus. Je had er bij moeten zijn het verhaal is al grappig genoeg maar in het echt was het hilarisch voor woorden. Dit kon alleen maar een voorproefje zijn van wat ons te wachten staat als we onze echte oma ontmoetten. Een tipje van de sluier zagen we al omdat Mama-Tua veel op Oma lijkt. Oma zal thuis op ons wachten. Thuis is waar Papa is geboren.

In 1976 was alles nog van ” voor de oorlog”. Van Tual gingen wij in een lokale krakkemikkige bus naar Ewu. Ewu is de Kampong waar Nene dari Yumai is getrouwd. Nu nog onderhouden wij nauwe banden met haar anak-anak cucu ( zie deel IV van “Jakob’s Ladder naar de Bron der Liefde). In Ewu is ook een waterbron aangetroffen die heel Tual van water zou kunnen voorzien. Er waren twee gigantische water reservoirs in Ewu aangelegd om het water op te slaan. Na een lange reis was een waterbak en welkome verfrissing dus nam ik een duik in het koele water. Ik was de eerste die als een theezakje onder werd gedompeld.

Technisch was alles klaar en mechanisch in orde maar het water stroomde tot nu toe niet door de pijpen. Het verhaal ging, dat volgens een lokaal gebruik een hoofd van een maagd als “betaling” werd geëist in ruil voor het gebruik van water. Er werd zelfs een koe geslacht en zijn hoofd werd op de schroef wiel van de pijpleiding geplaatst maar het mocht niet baten. Wij werden gewaarschuwd dat wij niet zomaar alleen moesten lopen want “ada orang potong kepala” in de omgeving gesignaleerd die stranden afstroopt op zoek naar een slachtoffer.

We staken via de uitmonding van Hot Sorbai over naar Kampong Wab met een lep-lep. We moesten nog een dicht begroeide heuvel beklimmen waar wij boven aan de top Kampong Wab zagen. Al dalende naar het dorp werden we begroet door Opa Theo. Opa Theo leek als twee druppels water op zijn broer in Nederland en weer waren wij verbijsterd door de gelijkenis. Zijn rimpels op zijn voorhoofd, zijn oren en zijn stem met die aparte hoge klank aan het begin of eind van zijn woorden. We dachten dat hij het zelf was.
Nauwelijks bijgekomen van Opa Theo zagen wij een eindje verderop een Nene in het midden van de Kampong met de woorden: Anak cucu Ini sudah.....Ini sudah nih..... haar armen naar ons openend. We keken Papa aan en hij zei: “dit is Omm.......” maar we hoorden niet meer wat Papa zei en stormden op haar af. Ik was nog een beetje argwanend maar aangestoken door de emotie van mijn beide zussen gaf ik toe aan het indrukwekkende samenspel van begroeting en emotie. Dit keer was het Mama die zei dat het de oma was van Bung Gerson, Bung Johan en Bung Ferry. Toen zagen wij ook de treffende gelijkenis met Om. Verbijsterd en tegelijkertijd blij dat wij hun oma zagen liepen wij gearmd door Wab naar het strand waar een lep-lep ons over zee naar Ohoira zouden brengen.

We waren totaal overrompeld. Het was voor het eerst dat wij een witte strand, blauwe zee en groene palmen in die combinatie zagen. We lieten onze tassen vallen en renden de zee in als gekken. Want zo zagen de bewoners van Wab ons natuurlijk.
Spierwit, blauw in alle nuances denkbaar en levend groen, de mooiste kleurencombinatie die de natuur je cadeau geeft. Als je dat voor het eerst ziet dan zijn de verhalen van Mama en Papa over Ohoira en Warbal een belofte in de zeer nabije toekomst. Na te zijn afgekoeld door de lauwwarme zee namen wij afscheid van Opa Theo en Oma Gerson en gingen wij op weg naar Ohoira.

We zouden tegen schemer aankomen op Wat Silo vlak voordat je Ohoira binnenkomt. Er waren fakkels aangebracht om onze aanlegpunt te markeren. Toen we voet aan land hadden gezet werd er een teken aangebracht op onze voorhoofd uit respect voor onze voorouders, kampong en omdat wij voor het eerst een bezoek brachten aan onze Tanah Air. Daarom werd er met Tanah en Air ons voorhoofd gesierd.
We moesten onze handen in de lucht houden bij wijze van overgave aan de Negeri Ohoira. Menjerah, het vrijwillig overgeven na een strijd die wij hebben afgelegd om Ohoira te bereiken. Daar in de haag van mensen aan weerszijden van de weg dat leidt naar de Pusat Negeri voelde je een warme thuiskomst die niet te beschrijven was en is. Elke poging is maar een fractie van wat er door je heen gaat. Aan het eind van die haag mensen staat degene op je te wachten die geen uitleg hoeft van wie zij is.

Zij die in 1973, toen Papa voor het eerst ging, ons hoorde zingen op een cassette bandje en zich afvroeg waar wij waren. Zij was het die boos werd op Papa en vroeg waarom hij ons verborg en waarom wij er niet waren. Het zou drie jaren duren voordat wij haar zouden zien.

Ini sudah...........................

Tuesday, August 15, 2006

DUIZEND SERIBU


Een wijsgeer beschreef dat een schilder elk doek met een laag zwart moet beginnen omdat alles in de natuur donker is tenzij er licht op valt.

1000 lezers terug waren de pagina’s wit en leeg. 1000 lezers later zijn de pagina's gevuld met vele woorden en beelden die samen verhalen vormen.

Mijn dank aan al die 1000 lezers ,voor hun tijd en geduld tijdens het lezen van mijn verhalen.

It is not the destination that counts it is the journey that matters.

Thursday, August 10, 2006

WARWUT

Familie bezoek op Kei is Ohoira, Warbal en Warwut. Warwut is om en nabij drie uur reizen van Ohoira. Allereerst is het lopen naar Hot Sorbai door de kebon-kebon en de hutan bambu (bamboe woud) van Nen Dar, oma van papa. Het is dan ook niet verwonderlijk dat wij langs deze weg, letterlijk en figuurlijk, naar Warwut lopen want Nen Dar is onze schakel met Warwut.
Nen Dar een kordate vrouw, die een belangrijke positie had binnen de matarumah en gelijkgesteld is naast de mannen in onze matarumah, vanwege haar leidinggevende capaciteiten. Een vrouw, die respect afdong en kreeg, wiens mening gehoord werd. Emancipatie is geen westers fenomeen. Op Kei was dat veel eerder, om maar in emancipatie termen te blijven, aan de "vrouw".

Op weg naar Warwut vanuit Ohoira in een lep-lep


De tocht naar Hot Sorbai ging gepaard met modder en insectenbeten maar niets mocht en kon de pret drukken omdat de oversteek van Hot Sorbai vele "verassingen" herbergde.
Dat je Gunung Tanah vele mysterieuze gebruiken en regels kent is iets wat een ieder die naar de Kampong is geweest kan navertellen. In ons geval werden we al uitvoerig geïnformeerd dat je niet zonder een kennismaking ritueel je land ongemerkt kon en mag betreden. Allereerst moet je beseffen dat je moyang-moyang zich vereenzelvigen met de natuur en in die hoedanigheid zich aan jou kunnen vertonen.
Het is een gegeven dat zij er trots op zijn dat jij als anak cucu dari jauh (Nederland) terugkomt naar je akar. Je kan er op rekenen zij geen gelegenheid voorbij zullen laten gaan om jou te laten weten dat zij weten dat jij er bent.
Deze rituelen en gebruiken behoorden natuurlijk in je "reisinformatie pakket" die je naast je ticket to the tropics van "Reisbureau Papa en Mama" al in Nederland hebt gekregen. Het zijn juist die verhalen die je nog meer nieuwsgieriger maken waardoor je zekere ontberingen op de koop toeneemt om maar deze reis met je familie te maken.

We gingen met vier lep-lep, Oma papa's moeder, papa-tengah en papa-bongso,tantes en wat andere familie leden.
"Ingat baik-baik kalau di lep-lep agas-agas gigit jangen pukul itu dong ada mau cari kenal dengan anak cucu dari Belanda" dit stond in mijn geheugen gegrift. Agas-agas zijn kleine moerasvliegjes die je venijnig kunnen steken en deze kun je niet slaan omdat het dan een open invitatie is voor de hele agas-agas populatie van Hot Sorbai om jou te irriteren en ook omdat het een onderdeel is van die kennismaking ritueel. Mijn oudste zus die in 1973 deze tocht al heeft gemaakt heeft ons al uitvoerig over deze ervaring ingelicht. Mama die ons het bewijs wou leveren dat het geen verzinsel was zei tegen mijn oom of hij dit fenomeen van agas-agas wou demonstreren aan ons. Moeders wil is wet en Papa Tengah, papa's broer zat binnen de kortste keren onder de agas-agas. Ondertussen ondergingen wij een zeurende jeuk van die insecten steekjes die minder dan een paar minuten zou gaan duren. Van het donker dichtbegroeide hutan, waar weinig tot nauwelijks licht doorsijpelde, kwamen we terecht in de zonovergoten Hot Sorbai. Hot Sorbai die in open verbinding stond met de zee is een brede rivier. We moesten ons snel verplaatsen anders was het eb en moesten we verder te voet.



Hot Sorbai

De oversteek ging snel en we werden al voorbereid op onze volgende ervaring. Een bewoner van de Hot Sorbai met zijn vele binnen rivieren en kreken bood ook het territorium van Buayas (krokodillen). Soms kon je ze op een afstand horen maar ze vertonen zich alleen als het noodzakelijk was. Dat ze er waren dat is zeker en een tante kon dat gelukkig nog navertellen.
Toen we de binnenwateren van Warwut binnentraden riep papa-tengah onze moyang-moyang of zij zich aan ons wilden vertonen omdat wij voor het eerst Warwut bezochten. Ik zag hem nog staan in de smalle lep-lep zwaaiend met zijn handen ten teken van invitatie. Ik was op dat moment eigenlijk meer bezorgd dat zijn lep-lep niet zonk omdat het voorste punt niet waterdicht was en Oma steeds water aan het scheppen was. Mijn handen speelden buiten boord met het water toe ik zag dat een batang kayu (een boomstam) tegen de stroom in met ons lep-lep op trok. Toen ik dat besefte keek ik recht in zijn geelbruine ogen die hij opende ten teken van " je hebt mij geroepen en hier ben ik". Ik hoefde maar "batang kayu timbul" te zeggen of iedereen begreep waar het om ging en automatisch werden alle handen meteen binnenboord getrokken. Papa-tengah verzocht hun zich weer terug te trekken en zei dat wij naar Warwut gingen en straks weer naar Ohoira teruggingen. En dat ze erop moeten toezien dat wij deze reis tot een goed einde brengen omdat wij te gast waren in hun gebied. De Buaya zonk tijdens deze woorden en verdween ongemerkt zoals het gekomen was. Ik word altijd weer door een koude rilling gegrepen als ik aan deze tocht denk "bulu badan bediri". Ik was niet bang maar meer onder de indruk van het hele ritueel van inviteren, vragen en verzoeken. Toen wij aan land gingen wachtte de zoon van Opa al op ons en samen bezochten wij de rituele plek waar de krokodillen huisden. Bij wijze van respect en bevestiging werd er een sirih-pinang ritueel gehouden.

Nu konden wij beginnen aan het laatste stuk naar Kampong Warwut. lopend. Onderweg naar Warwut zagen wij 3 palm bomen staan midden in het oerwoud alsof ze op ons stonden te wachten. Als 3 koenoridders hebben wij, mijn zussen en ik, op elk palmboom onze namen ingekerfd en stuurden wij onze neven naar boven om een kokosnoot te pakken. Niet wetende wat voor gevolgen dit zou krijgen.

We vervolgden onze reis en vlak voor de Kampong nam onze oom ons naar een grot. In deze grot zakte je tot je knieën in wat je dacht zachte mos. Later bleek het de restanten te zijn van de nestjes van de vleermuizen. Degene die zonder permissie van Opa Mambalot zich de toegang in deze grot heeft verschaft zal zonder moeite binnen komen. Het probleem is echter hoe kom je levend eruit. De legende gaat namenlijk dat deze grot bewaakt wordt door een slang die zich alleen maar vertoont als de "bezoeker" reeds binnen is getreden. De slang zal afrekenen
met deze ongenode bezoekers voordat deze de uitgang heeft bereikt. Onze oom wees nog de plek, een rots, aan waar de slang de "bezoeker" opwacht. Dat wij de "bewaker" niet hebben gezien is een indicatie dat permissie was gevraagd en, wat veel belangerijker is, toegestaan.
De grot was donker, je zag geen hand voor je ogen en je besefte niet wat er om en vooral boven je heen afspeelde. Toen onze oom de fakkel ontstak zag je pas de hoeveelheid vleermuizen die over je heen vloog met schijnbewegingen alsof ze je met opzet willen raken. Toen pas keek je naar beneden en zag je de resten van de vleermuizennesten die aanvoelden als mos. Boven je hoofd zag je de verse nesten vastgekleefd aan het plafond van de grotten. Chinezen hebben meermalen geprobeerd om ongemerkt de grot binnen te dringen om de verse nesten te stropen. Deze nesten zijn een delicatesse voor de Chinezen. Een keer in de zoveel tijd dan komen de Chinezen bij Opa en krijgen ze toestemming om een kleine hoeveelheid te verzamelen.

Warwut: Plafond vleermuizen grot met vleermuizen nestjes

(en een verdwaalde vogel)

Aangekomen in het dorp zat Opa en Oma op ons te wachten in hun stoel. Onze oom ging naar Opa en fluisterde wat in zijn oor. Opa glimlachtte, stond op en zei op een officiële toon tegen de familie dat niemand maar dan ook niemand de kokosnoten van de drie palmbomen mag aanroeren want van nu af aan was het onze palmboom en alleen wij mogen daarvan drinken. Alleen als de kokosnoten op de grondvallen dan mag het worden genuttigd anders niet. Het blijkt dat die drie palmbomen de meeste vruchten droegen maar niemand durfde tegen de wens van Opa in te gaan. Opa was eigenlijk wel trots op ons omdat wij ongemerkt de beste palmbomen hebben uitgekozen of misschien was het wel geen toeval en heeft het zo moeten zijn. Nu nog dragen de palmbomen onze naam en is het koel vertoeven onder het bladerdek. Dezelfde dag gingen wij terug naar Ohoira en alles ging goed zoals verwachtte.

In de loop der jaren zouden wij nog vaak Warwut, Warbal en Ohoira aan doen. Ze zijn er niet meer, onze opa's en oma's, mama en papa, Julia, papa-tengah en vele andere dierbaren. Maar een band werd gesmeed die toen middels brieven, paketten, vakanties, telefoon en nu met de huidige communnicatiemiddelen zoals mobiel, sms en e-mail nog in stand worden gehouden. Een nieuwe generatie treedt aan en met die vernieuwing is onze band met de drie Kampongs alleen maar sterker geworden.

Monday, August 07, 2006

Jakobs Ladder naar de Bron der Liefde

Deel IV
Het beloofde een mooie maar emotionele dag te worden. De dag daarvoor regende het met bakken tegelijk. Het was alsof God de hemel opentrok.

Om klokslag 9 uur s’ochtends op 18 November 2001 werd de dienst wat omschreven werd als Ibadah Pelepasan gehouden. Deze werd gekenmerkt door het overbrengen van de sacramentale attributen zoals het doopvont, collecte zakken en natuurlijk het avondmaal servies van het oude kerk naar het nieuwe kerk.

De kerkraadsleden treden aan om de perkakas perjamuaan in ontvangst te nemen

In 1958 schreef de toenmalige kerkleiding in Ohoira aan de Ohoira-gemeenschap in Nederland een brief waarin om steun werd gervraagd in het aanschaffen van het Avondmaal servies. En zo geschiedde het dat op 31 oktober 1962 de kerk in Ohoira gebruik kon maken van de “PERKAKAS PERDJAMUAN” uit Nederland. Het perkakas perjamuan word voor het eerst na 39 jaar de kerk uitgedragen.

De dominee leidde de stoet de oude kerk uit onder begeleiding van

DSL 98 vers 1.


De processie dat geleid werd door de dominee en waarbij elk ouderling een sacramentale attribuut de kerk uit droeg begon om 9.20.
Onder begeleiding van de kerkklok die de processie aan kondigde zong de gehele djemaat en hun gasten DSL. 98 vers 1 tot 4

Ke rumah tempat yang senang
Dimana tidak ingin prang
Dan tidak sukar dan cela, kesitu aku rindulah

Koor: Sabar (sobatku) dalam susah sukarmu
Sabar (sobatku) tuhan serta mu
Sabar (sobatku) Sabar bri kuat padamu (kepadamu)

De processie werd door de Kampung geleid naar Sumber Kasih.

Tijdens de processie kon je een speld in het zand horen vallen. Het gezang was niet luid maar meer een zachte deining van het wisselen van eb naar vloed. De emotie was voelbaar en je kon nauwelijks je ogen droog houden.
Alle vier coupletten begeleidde de processie door de kampong tot aan de locatie van het nieuwe kerk alwaar de processie werd opgewacht door een haag van notabelen van de Synode GPM uit Ambon en van Kei Kecil, voorzitter van de kerkraad, dominees, vicarissen en eromheen Djemaat Ohoira en hun gasten.
Met de woorden “Sabar bri kuat padamu (kepadamu)” van het refrein hield de processie halt voor het hek van de kerk.


Na het doorknippen van het lint werd de stoet vervolgd tot aan de kerk waar de naam “Sumber Kasih” in roestvrij stalen letters werd onthuld, een bijdrage van de in Jakarta wonende Ohoira-gemeenschap.
Voordat de kerksleutel werd overhandigd werd de overdracht van het land waarop de kerk werd gebouwd getekend en overgedragen aan het kerkelijk bestuur van Ohoira.
Het land werd beschikbaar gesteld door Marga Sedoeboen dari Mata Rumah Yumai. Papa liet de eer om dit document te ondertekenen over aan zijn jongste broer en hield zich op de achtergrond. Ik kon hem nauwelijks ontdekken in de menigte maar ik zag zijn ogen vol trots en zijn voorhoofd glimmen. De kerk waarvoor hij en zijn gezin zich sterk hebben gemaakt daar kon hij nu getuige van zijn. En nog mooier de gastheer zijn in zijn eigen huis op de Kampong.

De officiële overhandiging van de sleutel ging van de opperbaas van de bouwteam die verantwoordelijk was voor de fysieke bouw naar de voorzitter van commissie die verantwoordelijk was voor de begeleiden van de bouw. Vervolgens naar het hoofd van de Synode GPM (Gereja Protestant Maluku). Hij had de eer om de deuren officieel te openen en de weg te banen voor de sacramentale attributen.

Avondmaal servies in Sumber Kasih en de Kansel voorstellende een geopende oester.

Het kerkelijke verhuizing symboliseert het afsluiten van een moeilijke tijdperk waarbij oorlog en verlies een grote rol speelde naast vreugde en geluk. Vele geboorten en belijdenissen werden in de oude kerk in het aangezicht des Heren kerkelijk ingezegend en ook velen vonden hun laatste reis ook via deze zelfde weg terug. In het nieuwe kerk word wederom geschiedenis geschreven.
Het is geen gewone kerk verhaal. Met Sumber Kasih word een wedergeboorte bewerkstelligt. Jakob droomde van een ladder en het leidde hem naar de Bron der Liefde.
-Einde-

Al het beeld materiaal is onder copyrights van OHOIRA PRODUCTIONS bv.


Saturday, August 05, 2006

WARBAL

Warbal is het eiland en Kampong waar mama geboren en getogen is. Voordat wij een bezoek brachten aan mama’s eiland heeft zij ons al kennis laten maken met Warbal door haar vele verhalen. En vertellen dat kon ze als geen ander. Soms dacht ik dat ze een zeemeermin was omdat zij al haar tijd doorbracht op en in de zee. Mijn opa leerde haar de technieken van mencari ikan en molo (visvangst en het duiken zonder zuurstof uitrusting) en ze kon alle vissen, schaaldieren en andere zeedieren benoemen. Een eiland bewoner bij uitstek die zowel in het water als op het land de natuur kent.



Warbal is omringd door de eilanden Manir, Waha, Tarwa, Labulin en Ur. In 1976 bracht ik samen met papa , mama en mijn twee zussen voor het eerst een bezoek aan Warbal. Papa was al eerder op Warbal geweest in 1973. Vanuit Ohoira was het met de kano 21/2 uur over open zee. Gelukkig was het voor onze ooms die ons ophaalde van Ohoira een dagelijkse routine. Voordat wij Warbal hadden bereikt werden wij begeleid door een school dolfijnen. Het was een emotioneel terugkomst voor mama omdat zij voor het eerst na 28 jaar weer terug was op haar eiland haar Kampong. Ook al is Warbal een klein eiland toch was elke dag een avontuurlijke dag. Al met al zouden wij vier weken op Warbal verblijven.

We bezochten de laatste rustplaats van opa en oma en andere oude familiegraven. Één graf was "gedecoreerd" met een slang. Het verhaal ging dat tijdens het metselen van de dekplaat een slang in het natte cement viel en deze meteen werd ingemetseld. Onze oude familiegraf aan de zuidkant van Warbal waar onze voorouders waren bijgezet werd ook bezocht. Volgens onze adat werd hun hoofd gerust op een VOC (Verenigd Oost-Indisch Compagnie) bord en de rest van hun lichaam bedekt met VOC porselein. We zagen de overblijfselen van hun beenderen en stukjes scherven van wat eens een compleet VOC servies moest zijn geweest.

De Kampong was eerst gesitueerd op een hoger gelegen gedeelte van het eiland. Hierdoor hadden ze een overzicht als er bezoekers kwamen en vooral ongenode bezoekers. De Kampong werd gewaarschuwd door het geluid van een tritonschelp die geblazen werd. Een nalatenschap uit die roerige tijden kon je nog terugvinden in de Kampong Lama (eerste dorp). De Batu Prang (oorlog steen) een blok slijpsteen werd alleen maar gebruikt om de parang-parang (kapmessen) te scherpen als de tritonschelp werd geblazen. Door de glad geslepen oppervlakte van Batu Prang was te merken dat het door de jaren heen meer dan eens gebruik van werd gemaakt.

Wat tegenwoordig een "stortplaats" zou heten heeft een historische waarde gekregen door de overblijfselen van schelpen die ons wat vertellen over de eetgewoonten van onze voorouders, de bewoners van Kampong Lama. Ik kan mij nog herinneren dat mama zei ”orang tua-tua senang makan Kamde-i”. Kamde-i is de Keieese naam van een schelp dat in groten getale overal verspreidt lag aangetast door de tand des tijd. Het was dan ook was niet zo verwonderlijk aangezien deze schelp veelvuldig voorkwam om en nabij de eilandengroep waar Warbal toebehoort. We moesten oppassen dat we niet uitgleden omdat de locatie steil naar beneden afliep en door de schelpen er een losse ondergrond was ontstaan.

Een epidemie was de oorzaak van een relocatie van de Kampong naar het strand waar het tot op heden is gebleven.
Onze familie woonde vlak aan het strand en had een mooi uitzicht op de zee en op het vaste land waar Ohoira is. Opa was in 1973 overleden maar zijn huis op palen stond er toen nog voor ons zijn kleinkinderen uit Nederland. Onder zijn huis bewaarde Opa zijn harpoenen, kano’s en andere vissersgerei. Opa’s huis stond in zee als het vloed werd. ’s Avonds werd je in slaap gewiegd door de golven en voelde je de koele zeebries onder je langs. Oma had een boom voor Mama geplant naast Opa's huis als aandenken toen Mama uit Warbal vertrok. Oma was er niet meer maar haar boom stond ernog.

Op het strand van Warbal stond de pohon Waringin die overdag schaduw bood aan zijn bewoners en s’avonds markant de wacht hield over Warbal. Als ’s nachts het tij keerde en eb een stuk van de zeebodem tevoorschijn tovert en de nacht weerkaatst bij volle maan zich af tegen het witte strand dan is het uizicht van uit Opa’s huis “Magisch”.

Onze tochten naar de andere eilanden waren uit de hand gelopen picknicks. De hele stamboom ging mee van jong tot oud. Wat tegenwoordig Island hopping is heet op de eilanden toen en nu nog be-meti (meti is eb) in al zijn eenvoud. Het was wat ze nog meti anak piatu noemde de voorloper van de grote eb de vermaarde Meti Kei, waar hele stukken van zeebodem door eb wordt blootgelegd.
We begonnen al vroeg in de ochtend te lopen naar het noordpunt van Warbal om zo over te steken naar Tarwa en Waha. Het eten haalden we rechtstreeks uit zee. Onze ooms vingen langoustines en vis en onze tantes en nichtjes gingen op zoek naar schaal dieren. Mama ving ook vis en bewees dat zij het nog niet had verleerd. Papa was meer een agrariër en verzamelde wat kasbi (cassave) in ons nabijgelegen kebon (plantage).
Een groot vuur werd aangelegd en de visvangst werd geroosterd met de zilte smaak van de zee. Samen met de geroosterde kasbi, voorgekookte rijst, Aroan Sir-sir (een Keiees groentegerecht) en embal bubuhuk (een Keiees cassave gerecht) meegebracht van huis aten wij de verse vangst met veel smaak op schotels van daun pisang (bananen blad). De jongens klommen in de pohon kelapa (palmboom) en wierpen de jonge kokosnoten naar beneden die wij door de natuur gekoeld dronken. De kleintjes onder ons gingen op zoek naar wat vruchten en kwamen terug met papaja’s en mango’s.


Na het eten sliepen we onder de palmen met het ritme van de zee die je nog vanuit de verte toeriep. We deden Ngur Tawur aan, een landtong dat tot diep in de zee loopt tijdens de meti. Op een gegeven moment moet je de wisseling van het tij in de gaten houden want anders word je omsloten door de opkomende zee. Ngur Tawur (Ngur betekent strand in het Keieese taal) is vermaard om zijn witte meelachtige zandstrand. Om het witte zandstrand te illustreren is er een anekdote daterend uit de Tweede Wereld Oorlog. De toenmalige Japanse strijdkrachten dachten namelijk van een afstand dat een vijandelijke marine vloot gemeerd stond klaar voor een aanval.


Op Ngur Tawur streken regelmatig flamingo’s neer. Deze schuchtere vogels zochten bij eb tussen de wadden naar voedsel. Ze staken mooi af in het witte zand met hun licht roze verenvacht glanzend in de zon.

Tegenwoordig worden de aantallen steeds minder omdat ze vaak gevangen worden voor de handel. Vogelhandelaren betalen grof geld voor een mooi exemplaar. Vaak verschuilen vogeljagers zich achter een beschutting gemaakt van palmbladeren. Als de bewoners van Warbal weer een beschutting ontdekken op Ngur Tawur dan wordt deze dan ook resoluut in brand gestoken.

Met de meti opbrengst van die dag werden we later opgewacht met een lep-lep (kano) omdat het ondertussen vloed werd en wij binnen een korte tijd zouden zijn opgesloten door de oprukkende armen van de zee. Mijn zus verloor een sandaal in een zeestroom. Een neef die de situatie al snel in de gaten had volgde de dynamiek van de golven en wachtte een paar honderd meter verderop haar sandaal rustig op. Een goed voorbeeld van een verstandhouding tussen mens en natuur. Respect voor de natuur die tijdens die vier weken keer op keer zou worden bewezen.

Er was veel te zien en te beleven en de verhalen zijn oneindig. De verhalen van Mama waren gedetailleerde schatkaarten waar we middels haar sporen onze expedities op Warbal en andere eilanden succesvol ten einde konden brengen. Ik was net een "schatgraver" en kwam dan ook terug met vele “schatten”. Schatten met elk een verhaal.

Verhalen die middels een onzichtbare schakel ons verbindt met Keluarga dan Saudara, jauh dan dekat, Embal, Aroan Sir-sir en vooral Tanat Sus Beb.

Voor Mama